Thomas Pringle was een held. Of toch niet?

Tegenwoordig kennen we hem alleen nog maar als ‘vader’ van de Engelstalige Zuid-Afrikaanse poëzie. Maar in zijn eigen tijd was Thomas Pringle een held die zich verzette tegen het koloniale bewind en die opkwam voor slaven en onderdrukte volken. Hoewel je zoiets nooit met zekerheid kunt zeggen. In Still Life verkent Zoë Wicomb de verschillende manieren waarop er begin eenentwintigste eeuw over Pringle wordt gedacht.

De Zuid-Afrikaanse schrijfster Zoë Wicomb (1948) groeide op in Namakwaland. Na haar studie aan de Universiteit van Wes-Kaapland, onder de apartheid een universiteit voor ‘Kleurlingen’, vertrok ze in 1970 naar Groot-Brittannië. Begin jaren negentig keerde ze tijdelijk terug naar Zuid-Afrika, maar sinds 1994 woont ze opnieuw in Glasgow, waar ze tot haar emeritaat in 2009 hoogleraar Creatief Schrijven was aan de Universiteit van Strathclyde. Daarnaast was ze tussen 2005 en 2011 buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit Stellenbosch.

Als schrijfster debuteerde Wicomb in 1987 met de verhalenbundel You Can’t Get Lost in Cape Town. Daarna volgden de romans David’s Story (2000), Playing in the Light (2006) en October (2015), een tweede verhalenbundel, The One That Got Away (2008), en een bundel opstellen, Race, Nation, Translation: South African essays, 1990-2013 (2018). David’s Story werd in 2001 bekroond met de M-Net Prize. Wicombs werk wordt regelmatig genomineerd voor literaire prijzen, zowel in Zuid-Afrika als internationaal.

‘Vader van de Zuid-Afrikaanse poëzie’

Wicombs romans en verhalen hebben vaak een autobiografische inslag. Dat geldt ook voor haar nieuwste roman: Still Life (2020). De primaire verteller is een vrouw die duidelijke overeenkomsten met Wicomb vertoont: een Zuid-Afrikaanse die in Schotland woont en haar tijd verdeelt tussen lesgeven en schrijven. De vrouw moet een biografie schrijven over een historische figuur die de reis in omgekeerde richting gemaakt heeft, ván Schotland náár Zuid-Afrika. Het gaat om niemand minder dan Thomas Pringle, in de woorden van een bewonderaar ‘the Father of South African poetry, Defender of a Free Press, Archenemy of the Cape Governor, Lord Charles Somerset, and as an Abolitionist, an enemy of all slavers’.

Het levensverhaal van Thomas Pringle (1789-1834) is inderdaad fascinerend. Op voorspraak van zijn vriend Sir Walter Scott kwam Pringle in 1820 naar Zuid-Afrika als leider van een groep Schotse migranten. Doordat hij slecht ter been was, was hij niet geschikt voor het harde boerenbestaan in de Oostkaap. Hij vond werk in de South African Library in Kaapstad, richtte een school op en werd redacteur van twee kranten. Zijn kritiek op het koloniale bestuur bracht hem in conflict met gouverneur Lord Charles Somerset. Deze probeerde de kranten te verbieden, maar de strijd hierover, die in Engeland werd uitgevochten, zou uiteindelijk leiden tot persvrijheid in Zuid-Afrika. Pringle moest echter berooid terugkeren naar Londen, waar hij secretaris werd van de Anti-Slavery Society. Het was mede aan Pringle te danken dat in augustus 1834 de wet voor afschaffing van de slavernij werd aangenomen. Het daadwerkelijke einde van de slavernij in 1838 zou hij niet meer meemaken, en ook Zuid-Afrika zou hij nooit meer terugzien. Pringle overleed in december 1834 op 45-jarige leeftijd aan tuberculose. Hij werd begraven in Londen, maar in 1970 werd zijn lichaam naar Zuid-Afrika overgebracht en herbegraven op de boerderij van zijn familie in de Oostkaap. In Groot-Brittannië is Pringle nagenoeg vergeten, maar in Zuid-Afrika leeft hij nog voort, als grondlegger van de Engelstalige Zuid-Afrikaanse poëzie.

Pringles pleitbezorgers

De schrijfster in Still Life heeft een hard hoofd in de onderneming. Moet zíj als bruine vrouw een boek schrijven over de zoveelste dode witte man? Alsof geschiedschrijving (‘history’) begin eenentwintigste eeuw nog steeds niets anders is dan ‘his story’…

Gelukkig krijgt ze hulp van een groep merkwaardige wezens, ‘powdery phantoms that stir and falter in the dark’. Als lezer van Zuid-Afrikaanse magisch-realistische literatuur ben je al snel geneigd te denken dat hier de voorouders weer om de hoek komen kijken. Maar het literaire spel dat Zoë Wicomb in deze roman speelt, is meer geraffineerd. Deze vrienden van Thomas Pringle, die het hoog tijd vinden dat hun held en weldoener de eer krijgt die hem toekomt, zijn niet ontleend aan de geschiedenis, maar aan teksten.

Zo krijgt de schrijfster advies van Hinza, de hoofdpersoon van ‘The Bechuana Boy’, een van de weinige gedichten van Thomas Pringle dat nog gelezen wordt doordat het in allerlei bloemlezingen is opgenomen. Hinza beschouwt zichzelf als medeschepper van het gedicht en als aangenomen zoon van ‘Mr P’. Een tweede informant is Mary Prince. Mary Prince was een zwarte slavin afkomstig van de West-Indische eilanden. Ze liep weg toen haar baas en zijn gezin met Mary op bezoek waren in Londen. Pringle nam haar in huis en betaalde uit eigen zak voor de publicatie van Mary’s levensverhaal, The History of Mary Prince (1831). Het boek leidde tot twee geruchtmakende rechtszaken en speelde een belangrijke rol in de Britse discussie over afschaffing van de slavernij. Dat Mary haar opwachting maakt in Still Life, is dus niet omdat zij Pringle in het echte leven gekend heeft, ze is een van die ‘ghostly figures in whose making he had a hand’. Dat geldt ook voor de derde informant, Vytjie Vaal, een personage uit Pringles gedicht ‘The Emigrant’s Cabin’.

Eerlijk gezegd hebben ook de geestverschijningen er weinig fiducie in dat de schrijfster het project tot een goed einde zal brengen. ‘Can this woman be trusted with the task’, vragen ze zich af, ‘this story that is neither fish nor fowl, neither fact nor fiction?’

Daarom halen ze er nóg een schrijver bij, van dezelfde onstoffelijke makelij als zij. Dit keer niet een van Pringles eigen creaties, maar Sir Nicholas Greene, een personage uit de roman Orlando (1928) van Virginia Woolf. Dit is een bijzonder interessante intertekst voor Still Life, omdat de jonge edelman Orlando bij Woolf, na zijn verblijf aan het hof van koningin Elizabeth I (1533-1603) nog driehonderd jaar voortleeft en telkens weer in een volgende eeuw opduikt, zonder zichtbaar te verouderen. Dat lijkt wel een beetje op de manier waarop Hinza, Mary en Sir Nick ongehinderd door het eenentwintigste-eeuwse Londen bewegen. Daarbij is Orlando ook, net als Still Life, een roman waarin het schrijverschap en verschillende representaties van de werkelijkheid centraal staan. 


De moed om van gedachten te veranderen

Helaas heeft Sir Nick (‘known throughout the literary world as a failed poet turned critic’) weinig interesse voor Pringles verhaal. Hij is een typische vertegenwoordiger van de conservatieve Britse upper class, die Pringles leven en streven beoordeelt vanuit zijn eigen beperkte perspectief.

Dat brengt ons bij het thema van de roman. Was Pringle een held die opkwam voor slaven en onderdrukte volken, zoals Hinza en Mary geloven? Hoe zuiver waren zijn intenties? Niet alleen heeft iedereen een ander beeld van hem; de verschillende visies verschuiven ook door de jaren heen.

Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat er bij Pringle zelf sprake was van voortschrijdend inzicht én dat hij als schrijver de gewoonte had zijn eigen teksten eindeloos te herzien. Als jonge en ambitieuze dichter in Schotland was hij nog typisch een kind van zijn tijd en zijn klasse. In Zuid-Afrika begonnen zijn ideeën over de onderdrukking van slaven en de oorspronkelijke bewoners van de Oostkaap te veranderen; hij kreeg steeds meer moeite met zijn eigen positie binnen het koloniale project. En uiteindelijk zou hij door zijn conflict met Somerset verder radicaliseren.  

De verwarring over de vraag wie Thomas Pringle was en waar hij voor stond, zien we het duidelijkst bij Hinza. Volgens het gedicht ‘The Bechuana Boy’ had Pringle de jongen in het veld aangetroffen en zich over hem ontfermd. Hinza beschouwde Pringle sindsdien als vader en vriend en hij is trots op het gedicht dat hen met elkaar verbindt. Maar tijdens het werk aan de biografie begint hij te twijfelen. Waarom heeft Pringle hem bijvoorbeeld naakt en zonder schoenen uitgebeeld, als een smekeling, met een springbok aan zijn zij? ‘Could it be that I was indeed no more than a pet to him?’

Intellectueel avontuur

Still Life voldoet aan alle verwachtingen van een postmoderne en postkoloniale roman. Wicomb speelt een uiterst vernuftig spel. De manier waarop ze Pringle en zijn personages tot leven heeft gebracht – gelegitimeerd door de allusies op Woolfs Orlando – is verrassend en het onderlinge gekissebis en geflikflooi tussen Hinza, Mary en Sir Nick buitengewoon amusant. Het boek mist een sterke dramatische ontwikkeling; er gebeurt weinig. Maar zijn pleitbezorgers hadden gelijk: Thomas Pringle verdiende het inderdaad om aan de vergetelheid en de hedendaagse cancel culture onttrokken te worden. En met Still Life neemt Zoë Wicomb de lezer van de eerste tot de laatste bladzijde mee op een prikkelend intellectueel avontuur. 

Zoë Wicomb, Still Life. Century City: Umuzi / Penguin SA, 2020. 269 pagina’s. ISBN: 9781415210536 (boek); 9781415210666 (e-boek) 

Deze recensie is in februari 2021 gepubliceerd in Spectrum, het online platform van het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam.

Gebroken beloftes

In Sin of Omission vertelt
Marguerite Poland de vergeten geschiedenis van jonge zwarte Zuid-Afrikanen die
in de negentiende eeuw naar Engeland gestuurd werden om priester te worden in
de Anglicaanse Kerk. Veel jongens overleefden het niet, geveld door het koude
en natte Engelse klimaat. Polands hoofdpersoon keert wél terug, maar wordt het
slachtoffer van botsende culturen, en de strijd tussen godsdienst en imperiale
politiek.

 


Na het overlijden van
Nobelprijswinnares Nadine Gordimer in 2014 geldt Marguerite Poland (1950) als
de grand dame van de Engelstalige Zuid-Afrikaanse literatuur. Naast
kinderboeken schreef ze zes romans voor volwassenen: Train to Doringbult
(1987), Shades (2012; Nederlandse vertaling: Schimmenspel, 2015),
Iron Love (2012), Recessional for Grace (2012), The Keeper
(2014) en A Sin of Omission (2019). In Zuid-Afrika geniet Poland grote
bekendheid doordat haar boeken regelmatig in het onderwijs gebruikt worden. Hoewel
haar individuele romans meestal nét buiten de prijzen vallen, kreeg ze twee
oeuvreprijzen (ministerie van Kunst en Cultuur, 2005, en South African Literary
Awards, 2010). En in 2016 werd ze onderscheiden met de zilveren Orde van
Ikhamanga voor haar ‘bijzondere bijdrage op het gebied van inheemse talen,
literatuur en antropologie’.

Die
waardering voor haar werk met betrekking tot inheemse talen en antropologie is
niet toevallig. Je zou het niet denken als je haar ziet – fijngebouwd en
beschaafd, op en top een English lady – maar Poland is een
groot
kenner
van taal en cultuur van de Xhosa’s en de Zoeloes. Ze groeide
op in de Oostkaap en studeerde aan de universiteiten van Grahamstown,
Stellenbosch en (destijds) Natal. In 1997 promoveerde ze op een proefschrift
over de manier waarop de Xhosa hun Nguni-runderen namen geven. Poland werkte
onder meer als etnoloog in het Iziko South African Museum in Kaapstad.

 

Nieuwe naam, nieuw leven

Polands kennis van taal
en cultuur van de Xhosa’s blijkt ook uit haar nieuwste roman, A Sin of
Omission
. De hoofdpersoon, Stephen Mzamane, is geïnspireerd op eerwaarde
Stephen Mtutuko Mnyakama (ca. 1848-1885), een zwarte zendeling op een afgelegen
zendingspost in Nondyola in de Oostkaap. Polands betovergrootvader was als zendeling
ook gestationeerd in Nondyola. Poland heeft Mzamanes levensverhaal
gereconstrueerd op basis van materiaal uit de archieven van de Anglicaanse Kerk
in Zuid-Afrika en Engeland.

Het duurt even voor je als lezer het verloop van de
verhaalgebeurtenissen helder voor ogen hebt. Het boek begint in 1880, wanneer
Stephen Mzamane op reis gaat om zijn moeder het nieuws te brengen dat haar
zoon, zijn broer Mzamo, dood is. Onderweg hoopt Stephen een bezoek te brengen
aan zijn ‘English brother’ Albert Newham, een medestudent van het Missionary
College in Canterbury. Het boek eindigt kort nadat Stephen in Nondyola
terugkeert. Tussen die twee momenten voltrekt zich een terugblik op Stephens
leven.

Malusi Mzamane is negen jaar oud als hij verdwaalt
tijdens het voedsel zoeken en hij door een Engelse zendeling in het veld gevonden
wordt. Het is een onrustige tijd in de Oostkaap. Niet lang daarvoor hebben de
Xhosa een groot deel van hun veestapel gedood op bevel van de profetes Nongqawuse.
Er heerst hongersnood en verschillende bevolkingsgroepen in het gebied zijn op
drift geraakt. De toestand is zo slecht dat Malusi’s vader zijn oudste zoon, de
veertienjarige Mzamo, ook naar het zendingsinternaat brengt. Om opgeleid te
kunnen worden tot priester binnen de Anglicaanse Kerk moeten de jongens de
cultuur van hun ouders afzweren. Ze krijgen christelijke namen, leren Engels
(ten koste van hun moedertaal, het Xhosa), spelen cricket en drinken thee, als fine
English gentlemen
. De jonge Malusi vindt het niet vreemd om voortaan
Stephen te heten. Maar Mzamo is al wat ouder; hij weigert om zijn oorspronkelijke
naam af te staan en zijn herkomst te verloochenen. Mzamo komt in opstand en
wordt weggestuurd. Stephen, daarentegen, krijgt de kans om in Grahamstown
verder te leren. Daarna wordt hij naar het Missionary College in Canterbury,
Engeland, gestuurd.

Ondanks het koude en vochtige klimaat is het leven voor Stephen
als zwarte in Engeland misschien wel makkelijker dan in Zuid-Afrika. In
Engeland is er geen wet die zegt dat hij niet met zijn blanke vrienden in een tea
room
mag zitten. Hij raakt bevriend met de goedhartige Albert Newham. De
jongens spreken af dat ze samen uitgezonden willen worden naar Zuid-Afrika. Als
ze met z’n tweeën op het platteland geplaatst worden, kan Albert Stephen in de
avonduren helpen met zijn Latijn, en Stephen Albert met zijn Xhosa. Maar zo ver
zal het niet komen.

 

‘Godsdienst is politiek’

In de negentiende eeuw
hadden de imperialisten in Groot-Brittannië het idee opgevat dat het beter was om
de koloniën niet met geweld te veroveren, maar door middel van een
beschavingsoffensief. Getalenteerde jongens uit de lokale gemeenschap, liefst
zonen van traditionele leiders, kregen de kans om onderwijzer of priester te
worden. Zo konden zij de autochtone bevolking via onderwijs en godsdienst omturnen
in gezagsgetrouwe pseudo-Engelsen.

Vanuit
de blanke kolonisten in Zuid-Afrika zelf bestond er vanaf het begin weerstand
tegen dit plan; zij waren bang dat de zwarte bevolking, mondig geworden, de
nieuwverworven kennis tégen de blanken zou gebruiken. Ook de imperialisten ‘back
home’ moesten na een reeks incidenten toegeven dat het plan mislukt was. Ten
eerste bleken tientallen jongens die uit de koloniën in Afrika en Azië naar
Engeland gestuurd waren, niet bestand tegen het kille en regenachtige klimaat;
ze stierven aan longontsteking of tuberculose. Ten tweede ontpopten de zwarte
intelligentsia, opgeleid aan de Engelse zendingsscholen, zich inderdaad als de
aanvoerders van de zwart-nationalistische opstand.

Als
de politieke druk toeneemt, wordt de geldkraan voor Stephens opleiding
dichtgedraaid. Hij moet naar Zuid-Afrika terug vóór hij tot priester gewijd kan
worden.

Eenmaal
terug loopt niets zoals Stephen het zich had voorgesteld. Ondanks zijn studie
in het buitenland krijgt hij geen baan aan het Missionary College in
Grahamstad. Hij wordt verbannen naar een vervallen zendingspost in het
afgelegen Nondyola. En als Albert Newham een jaar later naar Zuid-Afrika komt,
blijkt er niets terecht te komen van de belofte dat de twee vrienden samen
geplaatst zouden worden.

Stephen
wordt door de Kerk al bij voorbaat monddood gemaakt. Maar in plaats van in
opstand te komen, schikt Stephen zich in zijn lot. Hij bouwt de zendingspost
weer op, graaft in zijn geheugen naar de laatste restjes Xhosa die hem nog uit
zijn jeugd zijn bijgebleven, en leidt de lokale bevolking naar zijn kerk. Want,
wat de kerkoverheden zich niet realiseren en wat in hun besluiten ook geen rol
speelt: Stephen Mzamane voelt écht een roeping.

 

Een onhoudbare positie

Marguerite Poland ontrafelt
in deze sfeervolle roman op meesterlijke wijze de verschillende krachten die
Stephens lot bepalen. Aan de ene kant de Kerk en de koloniale politiek, waarbij
de machthebbers in de kolonie zelf en die ‘back home’ vaak tegengestelde
belangen hebben. Aan de andere kant zijn er de eisen die aan hem gesteld worden
vanuit de traditionele cultuur (de lokale bevolking uit Nondyola, zijn
familie), én vanuit de opkomende zwarte emancipatiebeweging waarin Mzamo en
oude vrienden van het Missionary College in Grahamstad een leidende rol spelen.

De
Engelse zendeling dacht waarschijnlijk dat hij de kleine Malusi een gunst deed
toen hij het jongetje weghaalde bij zijn familie en hem de kans gaf op een
westerse opleiding. Maar als volwassen man is Stephen Mzamane in een onhoudbare
positie beland. Hij raakt volledig geïsoleerd. Als hij uiteindelijk kiest voor wat
zijn eigen cultuur van hem verwacht – niet omwille van hemzelf, maar voor
anderen – weet hij dat hij zijn christelijke gelofte gebroken heeft, en
verbindt hij daaraan de uiterste consequentie.

Pas
ná zijn dood gaan de mensen om hem heen inzien hoezeer ze Stephen in de steek
hebben gelaten. Dit is de ‘sin of omission’ uit de titel (die uiteraard ook een
woordspeling met de woorden ‘mission’ en ‘omission’ bevat). De ‘zonde van
nalatigheid’ betreft ook al die jongens die uit de koloniën naar Engeland
gestuurd werden en nooit meer terugkeerden. In deze tijd van ‘Black Lives
Matter’ kan deze roman tevens toegevoegd worden aan de lijst van boeken over de
werking van racisme en ‘white privilege’.

 

Marguerite Poland, Sin of Omission. Johannesburg: Penguin Random House South Africa,
2019.
ISBN:
9781485904199. 408 p., R290.00.